Een excursie over de ontwikkeling van het stuwwallenlandschap

Aan een steile oever van de Dinkel, net voorbij het hondenveldje, staat een groepje mensen belangstellend te kijken hoe iemand uit Amsterdam een stuk van de verticale wand weg schraapt. “Kijk, deze laag is 21 duizend jaar geleden afgezet.”
Aan het woord is Henry Hooghiemstra, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, die een eendaagse excursie geeft over de ontwikkeling van het stuwwallenlandschap in Twente. Bij de Dinkel zijn de grondsoorten die in de loop van tientallen eeuwen zijn afgezet met het blote oog te zien. Elders op de wereld zou je hiervoor de aarde in moeten boren om hetzelfde resultaat te krijgen.

Hooghiemstra is gespecialiseerd in paleo-ecologie, de bestudering van verandering van ecosystemen gedurende vele eeuwen. Hierdoor ontstaat een logisch verhaal hoe het heden tot stand is gekomen. Honderden studenten zijn in de loop der jaren onder leiding van Hooghiemstra naar Twente gekomen voor onderzoek naar de Twentse bodem. Op 17 oktober gaf hij een excursie voor leden van de vereniging Heemhuis Poorten Frederik Ootmarsum en natuurgidsen van Landschap Overijssel en Staatsbosbeheer.

De dag begon bij de oriënteertafel op de Kuiperberg in Ootmarsum.

 

De deelnemers moesten zich voorstellen hoe het landschap er uitzag vlak na de op één na laatste ijstijd: geen planten, geen bossen, geen dieren, alleen maar zand. Uit onderzoek naar (fossiele) pollen is te zien welke planten en bomen in welke volgorde daarna begonnen te groeien. Als eerste kwamen de berken, gevolgd door de dennen. Als laatste kwamen de beuk en de haagbeuk, die voor het eerst ongeveer 2500 jaar geleden in onze streken zijn waargenomen. Dit maakt natuurbeheer lastig. Wat gebruik je als ijkpunt om te bepalen welke soorten ‘echt’ inheems zijn? Er leefden al mensen in deze streek toen beuken en haagbeuken in onze bossen verschenen, en de mens had toen al invloed op de ontwikkeling van het landschap.

Het tweede punt van de excursie was bij de Dinkel, waar de verschillende aardlagen goed te zien waren. Verschillende lagen dekzand werden afgewisseld met donkere laagjes organisch materiaal. Deze laagjes ontstaan als er tijdelijk planten en bomen groeien, die later weer door dekzand worden bedekt. Elders in het Lutterzand is een vegetatie met jeneverbesstruiken. Deze komen snel als na een koude periode (ijstijd) de aarde weer opwarmt. Jeneverbesstruiken hebben veel licht nodig, vandaar dat ze verdwijnen als de berken teveel schaduw geven.

De rest van de middag bezochten we twee vennengebieden: het Molenven bij Saasveld en de Bergvennen bij Lattrop. Beide vennen zijn ongeveer gelijk op dezelfde manier gevormd. Een drainagesysteem werd door opgewaaide dekzandruggen in stukjes gedeeld. Veel voedselarme vennen zijn na de introductie van kunstmest rond 1860 geëutrofieerd waardoor voedselarme heidevennen langzaam veranderden in voedselrijke broekbossen. In het Molenven werd in de jaren zeventig een ‘nulbeheer’ ingevoerd. Anders gezegd: er werd niets aan gedaan. Veel dood hout blijft nu liggen waardoor het bos een natuurlijker karakter krijgt en er een rijke paddelstoelenflora is ontstaan. Het ven is als zodanig nauwelijks herkenbaar omdat er berken- en wilgenbroekbossen met zones gagel zijn ontstaan.

De situatie bij de Bergvennen is heel anders. Daar heeft Landschap Overijssel in de jaren negentig de vennen leeg laten lopen en de bodem ontdaan van organisch materiaal en slib. Daarna is er weer water ingekomen en ontstond de huidige situatie. Hierdoor groeit er nu oeverkruid en de zeer zeldzame waterlobelia. In de winter wordt er grondwater in de hogere vennen gepompt, waardoor de verzuring wordt tegengegaan.

Een vreemde eend in de bijt is het Krakenven, wat een andere ontstaansgeschiedenis heeft. Van origine was dit een ijsklomp in de bodem die steeds groter werd. Nadat het klimaat opwarmde smolt het ijs en ontstond er een ven met een verhoogde rand er omheen. De berken op deze rand zijn dit voorjaar weggehaald zodat de rand intact blijft. In het midden groeien nog steeds berken, die normaal na een paar jaar door hun eigen gewicht omvallen en afsterven. Door de droge zomers van de afgelopen tijd blijven ze nu in leven, waardoor ze het bodemprofiel verstoren. Hooghiemstra zou graag willen zien dat ook de berken uit het midden van het moeras verwijderd worden. Tevreden is hij over de ontwikkeling van het veld naast het Krakenven. Hij kent dit van vijftig jaar geleden als een ‘vette’ weide, maar door afplagging en het weghalen van vegetatie ontstaat er een blauw graslandschap.

Dit was de aanleiding om terug te keren naar de discussie aan het begin. Welk landschap wil je als natuurbeheerder? Het landschap verandert in de loop van de tijd en door beheer kun je een bepaald landschap behouden. Hooghiemstra vergeleek het met een postzegelverzameling. Alle postzegels hebben kan niet, maar een paar mooie exemplaren wil je graag hebben. De Bergvennen behoren daar zeker toe.

Han Vermaat, natuurgids

< Vorig / Volgende bericht >