Een bijzonder verhaal uit 1945

Het is op deze Bevrijdingsdag 5 mei 2026 een grijze en waterkoude dag in Ootmarsum. Gelukkig wapperen er her en der vlaggen, want vrijheid mag en ‘moet’ je vieren. Op het moment dat je dat bedenkt komt er een mail binnen, die je laat beseffen dat het vieren van de bevrijding voor sommigen zeer zeker een keerzijde heeft.
Het is een verhaal dat we kregen van Coen de Jonge. Op het moment van de bevrijding is hij drieënhalfjaar jong. Hij woonde aan de voet van de Kuiperberg met zijn moeder en broertje Hans, die een half jaar eerder geboren is.  Hun huis aan de Almelosestraat is een dubbelblok dat ook wel Commiezenhuis werd genoemd. Aan de andere kant woonde de bekende juffrouw Staverman. Vader Jan (42 jaar) is een paar weken geleden bij een verkeersongeluk overleden. De vreugde van de bevrijding was binnen dit  gezinnetje met deze klap verdwenen.  Na de dood van vader Jan kreeg het gezin veel steun van Riekie Oortmann van de boerderij ‘om de hoek’.
In 1946 verhuisden Coen, Hans en zijn moeder Aaltje de Jonge-Jaspers naar Enschede. Vader Jan de Jonge staat bij de oorlogsdoden van de gemeente Dinkelland. Coen en Hans werkten later in het onderwijs. Coen onder meer als schoolhoofd in Doesburg. Hij is verder Neerlandicus en jazzpublicist. Momenteel woont hij in Peize in Drenthe.

 

Van hem kregen we het onderstaande relaas. Een bijzondere herinnering aan die periode rondom de vijfde mei.  Verder weet Coen nog dat er militaire voertuigen bij de Simon en Judaskerk stonden en dat hij daar even op mocht klimmen. Verder weet Coen nog dat een jaar of wat eerder een Engelse piloot bij hen thuis een fotootje van hem maakte. Kennelijk zorgde zijn vader heimelijk voor onderdak en verder transport. Niet veel later vertrok de piloot naar een ander adres…

 

 

Hier volgt het relaas van Coen. Hij wilde het toch een keer vastleggen.

“Plat voorover in het weiland”
Het late voorjaar van 1945. Ik ben bijna drieënhalf jaar en steek de weg over naar het huis van een vriendje, aan de voet van de Kuiperberg in Ootmarsum. Eigenlijk kan dat niet op mijn nog jonge leeftijd, maar mijn moeder is enorm verdrietig. Een paar weken eerder is mijn vader, lid van de Binnenlandse Strijdkrachten, met zijn Harley Davidson – gekregen van de bevrijders – in de buurt van het vliegveld Twente doodgereden. Er was een militaire truck met een Canadese chauffeur, die geen voorrang gaf. ‘Alles zoop en naaide’ immers, zoals Remco Campert al zei. De jubel van de bevrijding was bij ons met een reuzenklap verdwenen.

Als ik bijna de weg over ben, zie ik in het oplopende weiland tegenover me twee jongemannen met rare lange grijze jassen. Ze hebben ook vreemde petten op. Ineens zetten ze het op een lopen en laten zich dan plat voorover vallen, de handen achter hun hoofd. Dan zie ik rechts van me een grote truck aankomen, vol soldaten met heel andere kleren. Canadezen, hoorde ik later.
Ik heb geen idee, maar blijf wel kijken. De soldaten in de truck lachen zich een ongeluk, wijzen naar die twee in het weiland. Ik sta er precies tussenin. De truck rijdt gewoon door, de Kuiperberg op.
Verder denk ik er niet zo over na. Ik loop verder naar het grote huis op de heuvel. Daar spelen we vaak in de kelder, een ruimte met veel geheimzinnige buizen. Hoe dat vriendje heette weet ik niet meer.

Pas veel later kreeg ik door wat er gebeurde. Twee Duitse soldaten, waarschijnlijk gedeserteerd, jonge jongens op weg naar hun moeder, aan de andere kant van de grens. En de Canadezen lieten ze lopen.”

Coen de Jonge (1942)

< Vorig / Volgende bericht